Jan Nabers: “Mensen moeten worden uitgedaagd in hun woonomgeving te bewegen”

Jan Nabers is een bezige bij. Hij is onder andere projectleider Marketing bij Isala Ziekenhuizen, vicevoorzitter bij CDA Overijssel en actief in verschillende Raden van Advies. Bovendien heeft hij een achtergrond als Hoofd Ruimte en Economie van de gemeente Zwolle. In deze functie won hij de Gouden Haring vanwege zijn verbindingskracht. Onder andere door zijn toedoen is de TOP-ondernemersregeling (TOR) ontstaan, waardoor studenten uit de regio Zwolle naast hun studie een eigen bedrijf kunnen runnen. En nu wil Jan mensen verbinden met hun eigen woonomgeving. Waarom en hoe? Hij deelt een paar ideeën met ons.

 

Waarom besloot je deel uit te maken van de Kopgroep van Ruimte voor Ruimdenkers?

“De regio gaat mij aan het hart en als wij in staat zijn om bewegen en vitaliteit van mensen meer centraal te stellen, dan geloof ik dat deze regio een dienst bewijst. De belangrijkste oorzaak waarom mensen te vroeg overlijden is op dit moment inactiviteit. Dus als we iets kunnen doen aan inactiviteit, of aan vitaliteit – dat vind ik dan een mooier woord – dan zou het ook kunnen betekenen dat zorgkosten lager worden, en dat kun je niet als ziekenhuisorganisatie oplossen. Daar heb je elkaar echt keihard bij nodig. Het vraagt toch iets in de ruimtelijke inrichting.”

 

Als projectleider Marketing van Isala probeer je klanten – in dit geval patiënten – te binden aan het ziekenhuis. Hierbij probeer je in te spelen op de vraag van de patiënt. Waar vraagt de patiënt om?

“De patiënt vraagt om zorg dichtbij. Dus als een patiënt bijvoorbeeld in Steenwijk woont, dan wil die zoveel mogelijk worden geholpen in Steenwijk. Daar zitten altijd grenzen aan; we hebben geen operatiekamers daar. Dus we willen hem zoveel mogelijk behandelen in de polikliniek zodat hij niet iedere keer naar Zwolle of Meppel hoeft. En als het echt niet anders kan – wij noemen dat ‘zorg dichtbij waar het kan en verder weg als het moet’ – krijgt de patiënt de forsere behandeling verder weg, in Zwolle of Meppel. En dat past heel erg bij het thema van Ruimdenkers ‘Zorg & Ruimte’. Hoe kunnen wij de ruimtelijke inrichting zo maken dat de patiënten de zorg dichtbij krijgen die ze nodig hebben? Wat kunnen wij bedenken voor mensen die niet heel ver kunnen lopen? Maar mensen moeten wel buiten komen. Kunnen we daarvoor in de ruimtelijke inrichting iets bedenken?”

 

Is dit ook iets wat je als richtlijn meegeeft aan de Ruimdenkers?

“Wat ik meegeef, is dat inactiviteit een van de belangrijkste redenen is dat mensen te vroeg overlijden. Mensen zitten te veel, ze bewegen te weinig, en dat soort zaken. We willen een vitale regio zijn, een vitale provincie. Daarvoor is het belangrijk dat mensen uitgedaagd worden in hun woonomgeving te bewegen, en daar past een ruimtelijke omgeving bij die uitnodigend is. Daarin vinden we elkaar heel erg als gemeente, provincie en ziekenhuisorganisaties. Overigens sprak ik daarover met huisartsen, die vinden dat ook. Op dit moment is de openbare ruimte heel vaak niet dat uitdagend perspectief om te gaan bewegen.”

 

De Ruimdenkers komen met een oplossing en de Kopgroep mag deze vervolgens op de markt brengen. Als marketingman heb je daar ruime ervaring mee; hoe pak je dit aan?

“Volgens mij gaat het om lonkende perspectieven, een stip op de horizon. Want als iemand geen lonkende perspectieven heeft, gaat er niets gebeuren. Het gaat om de stip. Welke stip kunnen we maken om het voor mensen interessant te maken erachteraan te lopen? En die stip is natuurlijk voor een deel financieel getint, want we zullen investeringen met elkaar moeten doen om het interessant te maken, om dat bewegen verder te brengen. En voor een deel gaat het ook om mensen meenemen op een reis zodat ze meer gaan bewegen.

Ik denk niet dat we iets moeten doen met foldertjes, want dat doen we al zo vaak. We moeten verfijnder nadenken over hoe wij uitdagende dingen brengen. Neem het voorbeeld van een Sutu Court. Dat is een soort voetbalveldje met een elektronisch doel dat bestaat uit allemaal vakjes. Je kunt kiezen uit verschillende spelletjes, bijvoorbeeld een spel dat bepaalt in welk vak je moet schieten. Aan jou de taak het juiste vak te raken. Het doel meet bovendien hoe hard je schiet. Er zit een computerprogramma achter en jongeren hebben allemaal die app gedownload. Zij zien dan dat een vriendje 75 km/u heeft geschoten, gaan het huis uit naar dat Sutu Court toe en proberen harder te schieten. Want het gaat natuurlijk ook om de competitie. Dus dat is een middel die trekt. We hadden ook tegen die jongeren kunnen zeggen ‘je moet meer bewegen, hier heb je een foldertje, weet je hoe belangrijk het is om meer te bewegen?’. Maar dan gaan die jongeren dat niet doen. Je moet een aantrekkelijk perspectief geven waardoor ze gezogen worden. En we moeten met elkaar, en met de Ruimdenkers, onderzoeken wat die zuigkracht kan zijn.

Ik kom uit Zwolle, dus ik weet hoe het daar een beetje zit. In Holtenbroek hebben we de meeste overgewicht, de meeste inactiviteit, en overigens ook de meeste zorgkosten als het daarom gaat. Kunnen we een buurt zo inrichten waardoor iets ontstaat dat iedereen om vier uur naar buiten gaat om een kopje koffie met elkaar te drinken? Daar geloof ik veel meer in dan overtuigingskracht. Kun je een parkje maken zoals in Frankrijk of in Spanje waar mensen met z’n allen gezellig naar toegaan? Ik geloof veel meer in lonkend perspectief en zuigkracht, dan in duwkracht.”

 

Tot eind vorig jaar werkte je voor gemeente Zwolle als Hoofd Ruimte en Economie. Kun jij je een voorstelling maken hoe een gemeente aan de slag gaat met de oplossingen van de Ruimdenkers?

“Ik denk dat het zo dicht mogelijk bij de burgers moet gebeuren. Bij zorg en ruimte zit een institutionele kant, want dat gaat heel erg over het gebouw en wat doe je daarmee? Maar dat lonkend perspectief zit heel erg dichtbij burgers. We hebben in Zwolle een sociaal wijkteam. Hoe kunnen we dat inzetten om die veranderingen te realiseren? Die verandering moet vooral komen vanuit de mensen die in de wijk wonen, daarbij ondersteund door het wijkteam. En als er dan in de openbare ruimte een investering nodig is, dan is het aardig als de provincie zegt ‘oké, wij zijn bereid er iets bij te doen’. Maar ik denk echt dat de uitvoering dichtbij burgers moet gebeuren.”

 



Plaats een reactie