Wilma Koch: “Durf te verbinden”

Wilma Koch werkte onder andere twee jaar als wijkverpleegkundige, vijf jaar als directeur Ouderenzorg bij Isala en nu is ze directeur van het Health Innovation Park. Het HIP helpt (zorg)ondernemers innovatieve initiatieven verder te ontwikkelen door bijvoorbeeld te zoeken naar financiering, het businessplan te schrijven en ze te introduceren in een netwerk. Wilma zit in de auto voor een rit van een half uur. Precies genoeg tijd om haar een aantal vragen te stellen over haar rol in de Kopgroep.

 

Dat jouw portfolio naadloos aansluit bij Ruimte voor Ruimdenkers is duidelijk, maar wat was jouw reden deel uit te maken van de Kopgroep?

“Mijn rol als directeur van het Health Innovation Park is heel erg verbinden en mogelijkheden zoeken. Wat ik daar leuk aan vind, is dat het een heel creatief proces is. Dat sprak mij ook heel erg aan in deze opdracht. En vanuit mijn achtergrond, maar ook zeker met de kennis, ervaring, het netwerk en het creatieve pioniersproces dat wij vanuit het HIP doorlopen, heb ik het idee dat ik daar iets aan toe te voegen heb.”

 

Een van de belangrijkste taken van de Kopgroep is een kader schetsen voor de Ruimdenkers waarbinnen ze mogen nadenken over een zorgoplossing. Hoe ziet dat kader eruit?

“Een kader in Ruimdenkers is eigenlijk een onmogelijke vraag. Want met Ruimdenkers heb je de ruimte en met een kader beperk je meteen weer die ruimte. Dus ik denk dat het goed is om richting of focus aan te brengen. En dan gaat het volgens mij heel erg om welke ontwikkelingen zich voordoen. Wat zie je gebeuren? Hoe ziet die hele zorg eruit? Welke andere ontwikkelingen hebben daar invloed op en wat betekent dat voor het hele toekomstperspectief? Wat mij betreft zou het kader meer een stip aan de horizon moeten zijn dan een kader. Een wenkend perspectief. Dat is een soort uitnodiging, maar wel iets concreets.”

 

Welke problemen binnen de zorg moeten volgens jou worden opgelost?

“Je hebt problemen op twee niveaus. Enerzijds zijn dat problemen op inhoud. Daaronder versta ik ook geld en hoe je allerlei vraagstukken oplost op het gebied van personeel, materie, et cetera. Maar misschien is nog wel een groter probleem dat je bij een dergelijk vraagstuk – wat zo dicht bij iedereen ligt – veel meer gebruik zou kunnen maken van allerlei andere sectoren. Dat gebeurt te weinig. Een voorbeeld: er is zo ontzettend veel data. Waarom gebruiken we die data niet meer en waarom zetten wij al die digitaliseringsmogelijkheden niet veel meer in? We hebben het dan over allerlei privacyvraagstukken en dergelijke. En dan denk ik, al die medische gegevens in de cloud, is dat nou zo heel veel anders of gevoeliger dan bijvoorbeeld staatsveiligheid of bancaire gegevens in de cloud? En als dat niet zo is, waarom kijken we dan niet in andere sectoren hoe ze dat hebben opgelost? Want als je kijkt naar de bancaire wereld, daar zijn ze heel ver in hun digitalisering. Waarom maken we daar dan niet veel meer gebruik van en benutten we veel meer de kennis en ervaring die er is? Als je dat doet, geeft het een veel groter blikveld dan wat je nu hebt en dan hoef je ook niet het wiel opnieuw uit te vinden, want die ervaring is er al. Je kunt zelfs leren van de dingen die niet zo goed zijn gegaan.”

 

Wie houdt dat tegen? Wie zorgt ervoor dat die data niet in de cloud komen?

“Ik denk dat we in de gezondheidszorg als sector veel dingen zelf tegenhouden, omdat vaak het idee bestaat dat het niet vergelijkbaar is met iets anders. Ik denk dat diezelfde gedachte heerst in veel meer andere sectoren. Wij zouden juist de verbinding moeten brengen met allerlei andere sectoren. Ik noem vaak het voorbeeld van logistiek. Mensen die thuis hulp nodig hebben, krijgen misschien wel vier, vijf, zes mensen op een dag aan de deur. De een komt de was brengen, de tweede de medicijnen, de derde brengt het eten, de vierde is de verpleegkundige en de vijfde is de fysiotherapeut. En dan hebben wij in deze regio het grootste distributiecentrum van Nederland dat net heeft bekendgemaakt dat je de spullen die je bestelt dezelfde dag thuis kan krijgen. Dan denk ik, waarom vragen we niet aan de mensen met die ervaring om mee te kijken? Denk eens met ons mee, hoe zou het anders kunnen? Natuurlijk realiseer ik me dat je geen chips verkoopt. Het gaat hier wel om mensen. Maar dat is geen reden om niet vooral die verbinding te maken en open te staan voor en te durven luisteren naar, te willen leren van al die dingen. Misschien is de sector wel hun eigen grootste valkuil door te denken dat het echt heel anders is daar.”

 

Er is een verschuiving in de zorgopleiding van curatief naar preventief. Mensen werden vooral opgeleid om zorg te verlenen, maar nu worden steeds meer mensen opgeleid om zorg te voorkomen. Het HIP speelt hierin een regisserende rol. Hoe worden mensen opgeleid die later zorg kunnen voorkomen?

“Het gaat over het toekomstperspectief dat ik net noemde: hoe ziet de gezondheidszorg er over ongeveer vijf jaar uit? Hoe moeten de medewerkers die je dan nodig hebt er uitzien? En wat betekent dat voor het opleiden van nieuwe medewerkers? Maar ook: wat betekent dat voor het scholen van bestaande medewerkers? Want je kunt nog met zulke goede bedoelingen als beginnend medewerker of stagiair in een branche komen, maar als iedereen tegen jou zegt ‘zo doen wij dit al jaren en waarom zouden we het anders doen?’, dan verandert er niets. Het is dus heel belangrijk dat je ook bestaande medewerkers omschoolt en erbij betrekt. En het is heel belangrijk dat je zorgt dat docenten op scholen zicht hebben op de ontwikkelingen. We moeten in de samenwerking met hen de ontwikkelingen volgen, maar ook de ontwikkelingen stimuleren. Voortdurend kijken wij met de scholen naar alle innovatievragen die bij het HIP komen met de vraag: wat kan in deze case de inbreng zijn van studenten, docenten of lectoren en wat kunnen de scholen met die ontwikkeling? Dus ik denk dat het heel belangrijk is om voortdurend in samenspraak met de gezondheidszorgsector, de opleidende scholen en het bedrijfsleven de opleidingen te verbeteren. Het gaat hier net als op veel andere plaatsen om het voortdurend verbeteren; stilstaan en afwachten kunnen we ons niet permitteren.”

 

Daan Roosegaarde ziet Nederland als proeftuin, zelfs voor de rest van de wereld. Het HIP heeft de proeftuinen van regio Zwolle, in ieder geval op het gebied van zorg. Wat gebeurt daar in die proeftuinen?

“Ja, MBO Landstede heeft de aanvraag gedaan voor die proeftuinen; wij hebben daar een coördinerende en regisserende rol in. En allerlei partners van het HIP zijn daarbij aangesloten, dus zowel bedrijven, als scholen, als zorgpartijen. Wat we doen, is proeftuinen ontwikkelen waarin we bedrijven de gelegenheid geven hun techniek in te brengen en uit te proberen. Dat zijn omgevingen waar studenten en bestaande medewerkers buiten de school kunnen oefenen en leren. En het wordt voortdurend geüpdatet omdat de bedrijven dus de techniek leveren. We hebben daar ook een ouderenbond bij aangesloten die leden leveren. Die leden zijn potentiële mantelzorgers, potentiële zorgvragers, en die kunnen ook weer vanuit hun optiek daar reactie op geven. Dus ik denk wat heel belangrijk is, is vooral opnieuw – en dat is misschien wel het sleutelwoord – die verbinding maken en heel praktisch met elkaar aan de slag gaan. En te durven ontwikkelen, te durven leren, te durven verbinden.”

 

Wil jij ook praktisch aan de slag met Ruimte & Zorg? Dat kan! Kom 19 mei van 12:30 tot 16:00 naar Ruimdenkersmanifestatie in de Hazemeijer in Hengelo. De manifestatie is het slotstuk van het onderzoekende proces en het startsein van de projecten. En jij kunt hierin een rol spelen. Meld je gratis aan via www.ruimtevoorruimdenkers.nl.

 



Plaats een reactie